Ik wist het beter

“Wanneer kun je komen?” Mijn jongere broer klonk gespannen. Eigenlijk was hij dat altijd, maar het overlijden van tante Bertha was een nieuwe bron van onrust voor hem. Mijn broertje was minder begaafd. Het was niet heel erg, maar hij raakte snel uit zijn evenwicht en kon het allemaal niet zo goed plaatsen.

“We zijn al halverwege de maand; we moeten opschieten,” hijgde hij door de telefoon.

“Rustig maar, Peter. Ik kom morgen wel even langs om alles te inventariseren.” Ik sprak hem zalvend toe.

Nu tante Bertha overleden was waren mijn broer en ik verantwoordelijk en moesten we haar appartementje leeghalen. Dat moest nog voor het eind van de maand gebeuren, want anders moesten wij als erfgenamen weer een maand huur ophoesten en daar hadden we geen zin in.

Tante Bertha had niet veel spulletjes, maar wat ze had was bijzonder. Haar appartement stond namelijk vol met oosterse accessoires. Ze was gek geweest op die speciale sfeer van ‘Duizend-en-een nacht.”

Aan de muur hingen een paar wandkleden. In een ver verleden waren ze waarschijnlijk nog duur geweest ook, maar daar was nu niet veel meer van te zien. Ze waren inmiddels aangetast door de tand des tijds en waren vaal en grauw geworden. Je kon nog net zien dat het over kamelen ging die bereden werden door een paar woeste Bedoeinen met grote baarden.

In elke deuropening hingen glazen marokkaanse kralengordijnen die de neiging hadden om zich vast te bijten in je haar als je er doorheen probeerde te lopen. Daar had ook niemand wat aan.

“Die kussens…”zei mijn broer aarzelend, terwijl hij naar een grote hoeveelheid oosterse kussens in de hoek wees, “…misschien nog iets voor Jannie?”

“Nee Peter,” zei ik een beetje bot. “Dat is niets voor Jannie.”
Jannie is mijn vrouw en dat zou dus betekenen dat al die kussens bij mij op de bank terecht zouden komen.

“We gooien het hele zaakje op Marktplaats. Stoelen, gordijnen, kussens en wandkleden…de hele rataplan. Zijn we er in een keer vanaf.”

“M…maar…” stamelde Peter, “Ik dacht dat je de hele zaak zou inventiseren?”

“In-ven-ta-ri-se-ren,” verbeterde ik hem. “Dat heb ik inmiddels gedaan. Alles gaat weg.”

“Oh,” zei Peter. “Weet je het zeker?

Ik nam niet de moeite hem nog te antwoorden.

Die avond schreef ik een schitterende advertentie en zette die op Marktplaats.

“Oosterse accessoires. Met alles erop en eraan. Gratis afhalen.”

Het liep storm. We hadden de volgende dag 25 telefoontjes.

“Het gaat prima,” lachte ik tegen Peter. “Vanmiddag is dat appartement leeg.”

“Ja,” zei Peter gespannen. “Maar ik vind toch dat je alles had moet inventiseren.”

“In-ven-ta-ri-se-ren, Peter. Leer dat nou eens.” Nou ja, het zal wel.

Om 5 uur kwam er iemand met een boedelbak om alles op te halen.

“Ik mag alles gratis meenemen?” zei de man. Het was een dik mannetje met een vette snor. Hij had zijn zoon meegenomen om de boel te dragen.

“Dat stond in de advertentie,” zei ik. “Dat is zelfs een voorwaarde. Alles moet weg.”

Hij keek tevreden rond, gaf wat aanwijzingen aan zijn zoon die meteen aan het werk ging.

“Voorzichtig met die lampen,” zei het mannetje. “Die zijn een fortuin waard.”

“Ja, Pa,” zei de zoon.

Ik begreep niet waar hij het over had. Het mannetje begon zich in zijn handen te wrijven.

“Heel vriendelijk van u mijnheer,” zei hij opeens. “Heel vriendelijk. Als ik dat zo zie sla ik een prima slag vandaag. Die lampen die mijn zoon net heeft weggehaald, zou ik nooit kunnen betalen en er is zoveel waardevols hier.”

“H…hoe bedoelt u dat mijnheer?” hakkelde ik onzeker, terwijl ik zag dat de zoon bijna alles al had leeggehaald.

“Al die spulletjes die u wegdoet zijn handgemaakt. Dit is het ‘echte’ spul. Niet van die namaaktroep. Nee, u maakt vandaag iemand erg blij.”

“Het zit allemaal in de wagen, Pa.” De zoon keek even om de hoek. “We kunnen gaan.”

Het dikke mannetje met zijn vette snor schudde enthousiast mijn hand terwijl ik onzeker naar Peter keek die vanuit een hoekje nijdig naar me stond te loeren.

“Een schot in de roos. Een lot uit de loterij,” mompelde hij nog nadat hij afscheid had genomen.

“Je zei dat je zou inventiseren,” zei Peter gespannen toen wij in het lege appartement waren achtergebleven. “Toen Moeder nog leefde zei ze altijd dat ik niet zo slim ben als jij, maar dat mensen nog heel wat van me kunnen leren.”

“Ja”, zei ik verslagen… “Ik had moeten inventiseren. Dat had ik moeten doen.”