Rommelmarkt

Ik zag hem op een rommelmarkt. Hij stond achteraf, een beetje verscholen tussen een stapel oude boeken en een roestige broodtrommel.

“Kijk, een lamp,” zei ik tegen mijn vrouw.

“Asjemenou,” zei mijn vrouw enthousiast. “Precies zo’n lamp als in ons hotel in Marokko. Zo’n ding heb ik altijd al gewild.”

oosterse verlichting

Voorzichtig stapten we over alle snuisterijen heen die op een kleed lagen uitgestald, om eens beter te kunnen kijken.

“Wel vies,” zei mijn vrouw met een lang gezicht. Er zat inderdaad een grote laag aangekoekt stof en vet op dat ding.

“We kunnen dat ding toch zeker wel schoonmaken?” zei ik opgewekt. “Een goeie wasbeurt en die lamp is weer zo goed als nieuw. Het is tenslotte een echte originele oosterse lamp.” Ik had mijn vrouw toch al blij willen maken, maar wilde dit keer iets anders doen dan een bos bloemen. Zo’n lamp bracht uitkomst.

Mijn vrouw bukte zich, pakte de lamp voorzichtig op en onderwierp het geval aan een nauwkeurig onderzoek. Hij was in redelijke staat. De verkoper had inmiddels in de gaten dat er misschien wat te verdienen viel en zei met gekunsteld enthousiasme:

“Da’s een echte oosterse lamp. Zo een als in die boeken van Ali Baba, u weet wel.”

“Hoeveel?” vroeg ik, zonder verder in te gaan op de roversverhalen uit het leven van Ali Baba.

“Die lamp hep nieuw wel tachtig Euro gekost,” zei de verkoper. Het woord tachtig werd zorgvuldig uitgesproken en hij keek me hoopvol aan.

“Dat vroeg ik niet,” zei ik een beetje geirriteerd. “Hoeveel moet je voor dat ding hebben?”

“Voor drie tientjes en een vijffie mag u ‘m hebbe.” Hij sprak een beetje zalvend alsof hij ons een enorme gunst deed.

“Dat is best wel duur voor een lamp op de rommelmarkt.” Mijn vrouw mengde zich in het gesprek.

“Och mevrouw…Ik hep u toch al gezegd dat het een echte originele oosterse lamp is. Komt uit Turkije of Marokko of zo. Mijn zwager hep em zelf meegenomen. Die dingen zijn echt een klein fortuin waard. Maar goed, voor drie tientjes mag u ‘m hebbe.” Er verscheen een grote grijns op zijn gladde gezicht.

Toen sloeg het noodlot toe.

Opeens gleed de lamp uit de handen van mijn vrouw. Ze heeft nogal wat last van artrose en soms willen haar vingers niet meer. Ze kan het gewoon niet helpen. Ik probeerde nog in te grijpen, maar het was te laat. Als in slow motion zag ik het gebeuren.

Daar ging de lamp…

Met een grote klap kwam-ie op de roestige broodtrommel terecht. Tot mijn afgrijzen brak er een stuk af.

De verkoper bromde iets onverstaanbaars en keek boos naar mijn vrouw. “Ik…eh…m…mijn vingers.” Het huilen stond haar nader dan het lachen.

“Geeft niet, Liesje,” probeerde ik nog aanmoedigend. “Wij lijmen dat ding wel.” Ik pakte mijn portemonnee en haalde er dertig Euro uit.

“En nog een vijffie…,” bromde de verkoper op wiens gezicht inmiddels geen glimlach meer speelde.

“U had ‘drie tientjes’ gezegd . Het moest niet gekker worden.

“Klopt,” zei de man, “maar moet u die deuk in de broodtrommel eens zien. Dat ding kan ik toch zeker niet meer verkopen?”

En zo kwam het dat ik met een roestige broodtrommel, een gebroken oosterse lamp van Ali Baba en een ontmoedigde vrouw de rommelmarkt verliet.

“Maar je geen zorgen Liesje,” zei ik opbeurend. “Morgen ga ik naar de winkel en koop ik je echt een mooie oosterse lamp. Een echte schone. Zo eentje als Ali Baba had.”