Nieuw interieur

“Zo wil ik het graag hebben.”

Mijn vrouw was overtuigd. De logeerkamer moest helemaal opnieuw worden ingericht. In de oosterse stijl, wel te verstaan. Een authentiek Arabisch interieur moest het worden met een zuiver oosterse uitstraling.

Ze was zojuist, samen met de buurvrouw, tien dagen op rondreis geweest door het Midden-Oosten en was begeesterd en geïnspireerd terug gekomen.

“Daar kunnen wij een voorbeeld aan nemen,” had ze gezegd toen ik haar van Schiphol afhaalde. “Wat een sfeer. Wat een cultuur. Het was alsof ik in een sprookjesboek beland was.”

“Fijn,” zei ik eenvoudig. “En nu ben je weer in Nederland.” Ik was bezig met het invullen van mijn jaarlijkse belastingformulier en kon me niet echt verplaatsen in de exotische wereld van sultans, tengere buikdanseresjes en straatjes gevuld met oosters geklede marktkooplui.

sfeer in marrakech

“Jawel,” zei mijn vrouw enthousiast, “Ik ben dan wel in Nederland, maar ik heb besloten dat ik diezelfde romantiek ook thuis wil hebben.”

“O,” zei ik plompverloren. Het leek me uitgesloten dat ze zelf wilde gaan buikdansen op zaterdagavond, dus wat ze precies bedoelde was me niet helemaal duidelijk.

“De logeerkamer wordt helemaal omgegooid. Ik heb het er met Mies over gehad. Zij gaat het ook doen. We gaan die kamer inrichten volgens goed Arabisch recept. Een echt Arabisch interieur.”

“Mies ook?” vroeg ik ongelovig. Mies was de buurvrouw en ik kende haar als een oer- Hollandse degelijke vrouw. Dat zou nog wel eens voor problemen kunnen gaan zorgen met buurman Piet.

“Ja…we doen het samen. Jij hoeft niets te doen. Behalve dan…eh…,” aarzelde ze, “…alles betalen.”

Ik slaakte een zucht van ongeloof. Even een rondreis naar het Midden-Oosten en meteen wordt het hele huishouden ontwricht.

“En wat moet ik me daar dan bij voorstellen?” Ik voelde de bui al hangen. De belastingpapieren leken opeens nauwelijks nog een probleem.

“Nou gewoon…het moet een kamer worden waar ik me kan terugtrekken…met oosterse lampen, wandkleden en van die grote kussens natuurlijk.” Haar gezicht straalde helemaal.

“En muziek natuurlijk. We moeten daar een geluidssysteem hebben met van die opzwepende arabische deuntjes…en wierook natuurlijk.”

Was dit dezelfde vrouw met wie ik 12 jaar geleden getrouwd was? Ik keek haar van opzij aan en hield een oog op de weg. Ik schudde mijn hoofd.

Een mens is nooit te oud voor verrassingen.

Toen we thuis kwamen ging mijn vrouw meteen na het uitpakken met Mies naar de stad.

“Catalogusje halen…kunnen we alles goed plannen!” schreeuwde ze enthousiast over haar schouder alvorens de deur achter haar dicht viel en ik alleen achterbleef met mijn belastingformulier.

Dat was toen.

En nu, op het moment dat ik dit schrijf, een paar maanden later, is de logeerkamer nog steeds oer-hollands. Met een degelijk portret van Oom Siebe aan de muur en de strijkplank in de hoek.

Wat er gebeurd is en waarom wij vooralsnog geen Arabisch interieur hebben?

Dat is eenvoudig zat. Mijn vrouw heeft vorige maand samen met de overbuurvrouw een reis naar Bali gewonnen met de plaatselijke Bingo. Ze zit daar nu al een week. Morgen komt ze terug. Ik bereid me maar vast voor, want ze schijnt erg enthousiast te zijn. Ik heb het er met de overbuurman al over gehad. Wij zijn voorbereid.

Ik heb de saté trouwens alvast in de ijskast gezet.

Een slechte zaak

“Nee…dat is niet juist.” De man klonk boos en geirriteerd.

“Ik heb voor een Marokkaanse lamp betaald, en dit is iets heel anders. Dit is een Egyptische Filigrain lamp.”

Mijn vriend Japie was online een handeltje in oosterse lampen begonnen en nu stond hij oog in oog met een boze klant. Hij keek me hulpeloos aan, maar ik was niet van plan om hem te hulp te snellen. Ik had hem tenslotte gewaarschuwd. Toen hij met het idee op de proppen was gekomen had ik al direct mijn twijfels gehad.

“Zou je dat nu wel doen, Japie? Je weet niets van Marokkaanse lampen af. Je bent zelfs nog nooit in Marokko geweest.”

“Onzin…iedereen kan een lamp verkopen. Een lamp is een lamp, of die nu uit Bulgarije, Zanzibar of Marokko komt. Die zijn allemaal hetzelfde.”

Ik had er een hard hoofd in. Ik kende Japie al van de lagere school en één ding was zeker, van zaken doen had hij gewoon geen verstand.

“Hoe ga je dat dan doen?”

“Makkelijk zat,” zei hij zelfverzekerd. “Je zet een advertentie op Marktplaats voor een Marokkaanse lamp en dan, als je een bestelling krijgt, koop je er een heel goedkoop in en maak je een vette winst.” Hij keek me tevreden aan. “Je moet er alleen even bij zeggen dat het een paar weken kan duren. Kind kan de was doen.”

Ik schudde mijn hoofd. Als dat maar goed gaat.

En dat ging het dus niet.

Iemand had op zijn advertentie voor een authentieke, kostbare Marokkaanse lamp gereageerd en er zomaar 200 Euro voor betaald. In zijn advertentie had Japie een foto getoond van een prachtige lamp. Maar toen hij die lamp zelf wilde inkopen bleek die niet meer verkrijgbaar te zijn en dus had Japie maar besloten om iets te kopen wat er op leek.

En nu stond die man voor Japie zijn neus en keek hem dreigend aan. Japie stamelde wat onverstaanbare woorden en veegde het zweet van zijn voorhoofd.

“Weet jij het verschil niet tussen een Marokkaanse lamp en een Egyptische Filigrain???” Ik hoopte voor Japie dat er toch maar geen geweld gebruikt zou gaan worden.

“Nee mijnheer,” zei Japie kleintjes.

“Ik wil mijn geld terug!”

Japie keek me weer hulpeloos aan, maar ik schudde eenvoudig mijn hoofd en sprak: “Ik zou maar doen wat die mijnheer van je vraagt, kerel. Dat is de juiste weg.”

“De juiste weg…de juiste weg…,” bromde Japie verongelijkt. “Jij hebt makkelijk praten, maar ik zit met de gebakken peren.” Ondertussen pakte hij 200 Euro uit zijn geldkistje.

“Geen gek idee,” zei de niet meer zo boze klant met een grijns tegen Japie: “Een handeltje op Marktplaats in gebakken peren. Dat lijkt me wel wat voor jou.”

Die prachtige Egyptische Filigrain lamp heeft Japie tenslotte aan mijn vrouw gegeven voor haar verjaardag. We hadden er eigenlijk geen plaats voor, maar het is een leuk ding, dat moet ik toegeven, dus heeft het een mooi plaatsje gekregen in de bijkeuken en straalt daar met een oosterse gloed. Waarschijnlijk niet zo mooi als een Marokkaanse lamp, maar toch…je moet een gegeven paard niet in de bek kijken.

Ik wist het beter

“Wanneer kun je komen?” Mijn jongere broer klonk gespannen. Eigenlijk was hij dat altijd, maar het overlijden van tante Bertha was een nieuwe bron van onrust voor hem. Mijn broertje was minder begaafd. Het was niet heel erg, maar hij raakte snel uit zijn evenwicht en kon het allemaal niet zo goed plaatsen.

“We zijn al halverwege de maand; we moeten opschieten,” hijgde hij door de telefoon.

“Rustig maar, Peter. Ik kom morgen wel even langs om alles te inventariseren.” Ik sprak hem zalvend toe.

Nu tante Bertha overleden was waren mijn broer en ik verantwoordelijk en moesten we haar appartementje leeghalen. Dat moest nog voor het eind van de maand gebeuren, want anders moesten wij als erfgenamen weer een maand huur ophoesten en daar hadden we geen zin in.

Tante Bertha had niet veel spulletjes, maar wat ze had was bijzonder. Haar appartement stond namelijk vol met oosterse accessoires. Ze was gek geweest op die speciale sfeer van ‘Duizend-en-een nacht.”

Aan de muur hingen een paar wandkleden. In een ver verleden waren ze waarschijnlijk nog duur geweest ook, maar daar was nu niet veel meer van te zien. Ze waren inmiddels aangetast door de tand des tijds en waren vaal en grauw geworden. Je kon nog net zien dat het over kamelen ging die bereden werden door een paar woeste Bedoeinen met grote baarden.

In elke deuropening hingen glazen marokkaanse kralengordijnen die de neiging hadden om zich vast te bijten in je haar als je er doorheen probeerde te lopen. Daar had ook niemand wat aan.

“Die kussens…”zei mijn broer aarzelend, terwijl hij naar een grote hoeveelheid oosterse kussens in de hoek wees, “…misschien nog iets voor Jannie?”

“Nee Peter,” zei ik een beetje bot. “Dat is niets voor Jannie.”
Jannie is mijn vrouw en dat zou dus betekenen dat al die kussens bij mij op de bank terecht zouden komen.

“We gooien het hele zaakje op Marktplaats. Stoelen, gordijnen, kussens en wandkleden…de hele rataplan. Zijn we er in een keer vanaf.”

“M…maar…” stamelde Peter, “Ik dacht dat je de hele zaak zou inventiseren?”

“In-ven-ta-ri-se-ren,” verbeterde ik hem. “Dat heb ik inmiddels gedaan. Alles gaat weg.”

“Oh,” zei Peter. “Weet je het zeker?

Ik nam niet de moeite hem nog te antwoorden.

Die avond schreef ik een schitterende advertentie en zette die op Marktplaats.

“Oosterse accessoires. Met alles erop en eraan. Gratis afhalen.”

Het liep storm. We hadden de volgende dag 25 telefoontjes.

“Het gaat prima,” lachte ik tegen Peter. “Vanmiddag is dat appartement leeg.”

“Ja,” zei Peter gespannen. “Maar ik vind toch dat je alles had moet inventiseren.”

“In-ven-ta-ri-se-ren, Peter. Leer dat nou eens.” Nou ja, het zal wel.

Om 5 uur kwam er iemand met een boedelbak om alles op te halen.

“Ik mag alles gratis meenemen?” zei de man. Het was een dik mannetje met een vette snor. Hij had zijn zoon meegenomen om de boel te dragen.

“Dat stond in de advertentie,” zei ik. “Dat is zelfs een voorwaarde. Alles moet weg.”

Hij keek tevreden rond, gaf wat aanwijzingen aan zijn zoon die meteen aan het werk ging.

“Voorzichtig met die lampen,” zei het mannetje. “Die zijn een fortuin waard.”

“Ja, Pa,” zei de zoon.

Ik begreep niet waar hij het over had. Het mannetje begon zich in zijn handen te wrijven.

“Heel vriendelijk van u mijnheer,” zei hij opeens. “Heel vriendelijk. Als ik dat zo zie sla ik een prima slag vandaag. Die lampen die mijn zoon net heeft weggehaald, zou ik nooit kunnen betalen en er is zoveel waardevols hier.”

“H…hoe bedoelt u dat mijnheer?” hakkelde ik onzeker, terwijl ik zag dat de zoon bijna alles al had leeggehaald.

“Al die spulletjes die u wegdoet zijn handgemaakt. Dit is het ‘echte’ spul. Niet van die namaaktroep. Nee, u maakt vandaag iemand erg blij.”

“Het zit allemaal in de wagen, Pa.” De zoon keek even om de hoek. “We kunnen gaan.”

Het dikke mannetje met zijn vette snor schudde enthousiast mijn hand terwijl ik onzeker naar Peter keek die vanuit een hoekje nijdig naar me stond te loeren.

“Een schot in de roos. Een lot uit de loterij,” mompelde hij nog nadat hij afscheid had genomen.

“Je zei dat je zou inventiseren,” zei Peter gespannen toen wij in het lege appartement waren achtergebleven. “Toen Moeder nog leefde zei ze altijd dat ik niet zo slim ben als jij, maar dat mensen nog heel wat van me kunnen leren.”

“Ja”, zei ik verslagen… “Ik had moeten inventiseren. Dat had ik moeten doen.”